Kan Europa een kenniseconomie blijven zonder zelf te produceren?

kenniseconomie

Kernvraag: kan Europa op lange termijn een kennis- en innovatieregio blijven wanneer steeds meer productie en industrialisatie elders plaatsvinden?

Productie gaat namelijk niet alleen over het maken van producten. Tijdens prototypebouw, opschaling en serieproductie ontstaat praktijkkennis die moeilijk volledig in tekeningen, software, patenten of wetenschappelijke publicaties kan worden vastgelegd. Wanneer productie verdwijnt, kan daardoor op termijn ook een deel van het industriële leerproces verdwijnen.

Laatst inhoudelijk gecontroleerd: oktober 2026.

Sinds ik een groot deel van mijn tijd buiten Europa verblijf en regelmatig in Azië en China kom, ben ik anders naar Europa gaan kijken.

Vanuit Azië valt mij vooral op hoe snel daar wordt gebouwd, geïnvesteerd, geproduceerd en verbeterd.

Europa beschikt nog altijd over uitstekende universiteiten, onderzoeksinstellingen, ingenieurs en technologiebedrijven. Nederland heeft bovendien sterke posities in verschillende hoogwaardige technologische sectoren.

Maar tegelijkertijd verandert de mondiale industriële en technologische verhouding snel.

Dat roept voor mij een fundamentele vraag op:

Kunnen Nederland en Europa op lange termijn kennislanden blijven wanneer we een steeds groter deel van de daadwerkelijke industrialisatie en productie elders laten plaatsvinden?

De schroevendraaier als uitgangspunt

Mijn kijk daarop komt niet alleen voort uit mijn huidige werk in zonne-energie, energieopslag en internationale distributie.

Mijn technische loopbaan begon in 1984 in de automotive-industrie. In ruim twee decennia werkte ik onder andere in productie, industriële automatisering, prototypebouw, manufacturing engineering, industrialisatie en productiemanagement.

Daarbij werkte ik ook aan nieuwe automodellen in de prototypefase voordat deze naar serieproductie gingen.

Die periode heeft mijn manier van denken over technische producten sterk gevormd.

Als je een technisch product goed wilt ontwerpen, produceren én verkopen, moet je zelf eerst de schroevendraaier in de hand hebben gehad.

Dat bedoel ik niet letterlijk.

Niet iedere ontwerper, engineer of verkoper hoeft monteur te zijn. Het gaat erom dat je een technisch product pas volledig leert begrijpen wanneer het daadwerkelijk wordt gebouwd, getest, geproduceerd, geïnstalleerd, gebruikt en onderhouden.

Op papier kan een ontwerp perfect lijken.

Pas tijdens het bouwen ontdek je dat een onderdeel lastig bereikbaar is. Tijdens productie blijkt dat een tolerantie te kritisch is. Tijdens assemblage blijkt dat een handeling onnodig veel tijd kost. Tijdens testen ontstaat een storing die in de simulatie niet zichtbaar was. Tijdens gebruik blijkt dat een component anders wordt belast dan oorspronkelijk gedacht.

En precies daar ontstaat nieuwe kennis.

Meer over mijn technische achtergrond is te vinden op René Borro - technische expertise achter Rebor B.V.

Kennis stroomt niet alleen van engineering naar productie

In de automotive liep kennis nooit uitsluitend van engineering naar productie.

Engineering ontwikkelde een product en productie moest het vervolgens bouwen, maar vanuit prototypebouw en productie liep minstens zo belangrijke informatie terug naar engineering.

Engineering → Prototype → Productie → Praktijkervaring → Probleem → Verbetering → Engineering ↻

Een productiemedewerker die iedere dag dezelfde montage uitvoert, kan zien waar een constructie beter kan. Een procesengineer ontdekt hoe een product betrouwbaarder of sneller kan worden gemaakt. Een kwaliteitsprobleem kan leiden tot een andere materiaalkeuze. Een probleem tijdens serieproductie kan uiteindelijk resulteren in een ontwerpwijziging.

De werkvloer is daarmee geen eindstation van innovatie.

De werkvloer is onderdeel van het innovatieproces.

Of nog eenvoudiger:

Een fabriek produceert niet alleen producten. Een fabriek produceert kennis.

Waarom niet alle kennis in een tekening of patent zit

Een belangrijk deel van industriële kennis bestaat uit wat vaak tacit knowledge wordt genoemd: ervarings- en praktijkkennis die moeilijk volledig kan worden vastgelegd of overgedragen.

Een technische tekening kan maatvoering beschrijven. Een datasheet kan specificaties bevatten. Software kan processen modelleren. Een patent kan een technische uitvinding beschermen.

Maar daarmee beschik je nog niet automatisch over alle kennis die nodig is om honderdduizenden of miljoenen exemplaren betrouwbaar, snel en tegen concurrerende kosten te produceren.

Die kennis zit ook in mensen, machines, processen, leveranciers en organisaties.

  • Hoe stel je een productielijn optimaal af?
  • Waar ontstaan defecten en waarom?
  • Welke materiaalvariatie is nog acceptabel?
  • Welke processtap veroorzaakt de meeste uitval?
  • Hoe verhoog je de productiesnelheid zonder kwaliteitsverlies?
  • Hoe verhoog je de yield en verlaag je scrap?
  • Welke ontwerpaanpassing maakt een product eenvoudiger te produceren?
  • Welke problemen verschijnen pas wanneer duizenden producten daadwerkelijk worden gebouwd?

Een groot deel daarvan leer je door het daadwerkelijk te doen.

Learning by doing is daarom niet alleen een individueel leerproces. Het vindt ook op industriële schaal plaats.

Het industriële ecosysteem rond een fabriek

Harvard Business School-professoren Gary Pisano en Willy Shih gebruiken hiervoor het begrip industrial commons.

Daarmee bedoelen zij het netwerk van technologische knowhow, operationele capaciteiten en gespecialiseerde vaardigheden rond industrie. Dat netwerk bestaat niet alleen uit één fabrikant, maar ook uit werknemers, engineers, leveranciers, klanten, onderzoeksorganisaties en gespecialiseerde bedrijven.

Dat is belangrijk omdat hoogwaardige productie zelden geïsoleerd bestaat.

Een fabriek heeft leveranciers nodig. Leveranciers hebben machines nodig. Machines vragen om software, materialen, elektronica, sensoren en onderhoud. Daarvoor zijn operators, engineers, machinebouwers en gespecialiseerde dienstverleners nodig.

Wanneer al deze partijen voortdurend producten ontwikkelen en produceren, ontstaat een feedbackloop:

Productie → Problemen → Engineering → Oplossingen → Betere processen → Hogere yield → Lagere kosten → Nieuwe ontwerpmogelijkheden → Betere producten → Meer productie ↻

Wie miljoenen producten produceert, krijgt daarmee ook miljoenen mogelijkheden om processen te observeren en te verbeteren.

Wat ik nu in China en andere delen van Azië zie

Wat ik tegenwoordig in China en andere delen van Azië zie, is op veel grotere schaal een bevestiging van iets wat ik vanuit de automotive al kende.

Rond productie ontstaan complete industriële ecosystemen waarin leveranciers, productie, engineering, machines, software en R&D dicht bij elkaar opereren.

Dat betekent niet dat ieder product uit Azië technologisch beter is. Het betekent ook niet dat China's industriële positie uitsluitend het resultaat is van productiekennis. Schaal, investeringen, overheidsbeleid, toegang tot grondstoffen, energieprijzen, geïntegreerde supply chains en arbeidskosten spelen eveneens een belangrijke rol.

Maar actuele analyses van het International Energy Agency laten zien dat manufacturing efficiency zelf een belangrijke concurrentiefactor is geworden.

Voor batterijen berekent het IEA bijvoorbeeld dat hogere productie-efficiëntie en automatisering in China meer dan 40% van het productiekostenverschil tussen China en Europa verklaren.

Dat is een belangrijk gegeven.

Het betekent dat een aanzienlijk deel van het kostenverschil niet simpelweg voortkomt uit lagere lonen of goedkopere energie, maar uit het vermogen om op grote schaal efficiënt te produceren.

Batterijen laten zien wat schaal en productie-ervaring betekenen

De batterij-industrie is een concreet voorbeeld.

Volgens de Global EV Outlook 2026 van het IEA was China in 2025 verantwoordelijk voor meer dan 80% van de mondiale batterijcelproductie. Ook de productie van belangrijke actieve batterijmaterialen is sterk in China geconcentreerd.

Het IEA constateert bovendien dat batterijpackprijzen in China in 2025 gemiddeld ongeveer 35% lager lagen dan in Europa.

Tegelijkertijd waarschuwt dezelfde analyse voor een te eenvoudige conclusie. Europa bouwt eveneens nieuwe batterijcapaciteit en de productiecapaciteit groeide in 2025 relatief snel.

Maar een fabriek bouwen is nog niet hetzelfde als een concurrerende fabriek hebben.

Volgens het IEA kan het bij nieuwe batterijproductielocaties meer dan vijf jaar duren voordat de productie dicht bij de nominale capaciteit komt. Nieuwe producenten moeten onder andere scrap reduceren, productkwaliteit stabiliseren, automatisering optimaliseren en productieroutines opbouwen.

Productiecapaciteit kun je bouwen. Productie-ervaring moet je opbouwen.

Dat verschil is essentieel voor de discussie over Europese industrialisatie.

De energietransitie is ook een industriële transitie

Binnen onze eigen sector is dit bijzonder relevant.

De energietransitie bestaat niet alleen uit theoretische kennis, klimaatdoelstellingen of software.

Zij bestaat voor een groot deel uit fysieke technologie:

  • zonnepanelen en zonnecellen;
  • batterijcellen en batterijmodules;
  • batterijmanagementsystemen;
  • omvormers en vermogenselektronica;
  • halfgeleiders;
  • elektromotoren;
  • laadtechnologie;
  • energiemanagementsystemen;
  • warmtepompen;
  • transformatoren en nettechnologie;
  • productiemachines waarmee deze technologie wordt vervaardigd.

Bij Rebor zien we dagelijks hoe sterk die onderdelen met elkaar verbonden zijn.

Een batterij is bijvoorbeeld niet alleen een verzameling cellen. De prestaties van een energiesysteem worden ook bepaald door BMS, omvormer, communicatieprotocol, firmware, energiemeting, thermisch management en de manier waarop alle componenten in de praktijk samenwerken.

Een specificatie op papier vertelt daardoor nooit het hele verhaal.

Juist bij complexe fysieke technologie ontstaat waarde in de wisselwerking tussen onderzoek, ontwerp, productie en praktische toepassing.

Van onderzoek naar prototype, praktijk en weer terug

Die wisselwerking hebben we binnen Rebor ook zelf ervaren.

De ontwikkeling van geïntegreerde zonne-energiesystemen rond Rebor omvat onder andere Energiedak 2010, LOCI, onderzoek met SEAC en Unilin, SolarBEAT-testopstellingen, ASAP en andere onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten rond zonne-energie en multifunctionele bouwdelen.

Daarbij kwamen onderzoek, productontwikkeling, prototypes, fabricagetechniek, veldtesten en praktische toepasbaarheid samen.

Meer over deze ontwikkelingsgeschiedenis is te vinden op onze pagina Onderzoek & Innovatie.

Niet ieder onderzoeksproject wordt uiteindelijk een commercieel product en niet ieder prototype leidt tot serieproductie.

Maar ook wanneer dat niet gebeurt, ontstaat tijdens ontwikkeling, bouwen en testen kennis die bij volgende producten opnieuw kan worden gebruikt.

Onderzoek → Design → Prototype → Productie → Praktijkervaring → Verbetering → Nieuwe technologie ↻

Wat gebeurt er wanneer productie verdwijnt?

De discussie over het verplaatsen van productie gaat vaak over arbeidsplaatsen, productiekosten of strategische afhankelijkheid.

Maar er is nog een andere vraag:

wat gebeurt er met het kennisecosysteem rond die productie?

Wanneer productie structureel verdwijnt, kan op termijn ook de vraag naar gespecialiseerde lokale toeleveranciers afnemen.

Wanneer leveranciers verdwijnen, kan proceskennis verdwijnen. Machinebouwers verliezen klanten. Er zijn minder operators met specialistische ervaring. Procesengineers krijgen minder productieproblemen om op te lossen.

En wanneer nieuwe ondernemingen prototypes en eerste series niet meer lokaal kunnen industrialiseren, zoeken zij die capaciteit mogelijk elders.

Dat betekent nadrukkelijk niet dat alle R&D vervolgens automatisch vertrekt.

Europa kan hoogwaardige onderzoeksactiviteiten behouden zonder ieder onderdeel zelf te produceren.

Maar wanneer ontwerp, prototypebouw, procesontwikkeling, leveranciers en serieproductie steeds verder geografisch uit elkaar komen te liggen, bestaat wel het risico dat de feedbackloop tussen onderzoek en productie zwakker wordt.

Op langere termijn kunnen talent, investeringen en uiteindelijk ook delen van R&D zich vervolgens ontwikkelen rond sterkere industriële ecosystemen.

Het grootste verlies is daarom mogelijk niet het product dat we volgend jaar niet meer in Europa produceren, maar het product dat we over tien jaar hier niet meer ontwikkelen.

Europa hoeft niet alles zelf te produceren

Dit is nadrukkelijk geen pleidooi voor autarkie.

Het zou economisch noch praktisch logisch zijn om ieder zonnepaneel, iedere batterijcel, iedere chip en ieder technisch onderdeel volledig binnen Nederland of Europa te willen produceren.

Internationale handel, specialisatie en mondiale supply chains leveren grote voordelen op.

De relevante strategische vraag is daarom niet:

Moeten we alles terughalen naar Europa?

De interessantere vraag is:

Welke technologische ecosystemen zijn zo belangrijk dat Europa voldoende kennis, productiecapaciteit en industrialisatievermogen moet behouden om ook de volgende generatie technologie te kunnen ontwikkelen?

Dat onderscheid is belangrijk.

Niet iedere commodity hoeft lokaal te worden geproduceerd. Maar voor technologieën die bepalend zijn voor toekomstige energievoorziening, digitalisering, mobiliteit, defensie, infrastructuur en industriële productiviteit kan het strategisch relevant zijn om onderzoek en industrialisatie voldoende dicht bij elkaar te houden.

Europa ziet het concurrentieprobleem inmiddels zelf

Deze discussie staat niet op zichzelf.

Het rapport van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen beschrijft onder andere de druk van tragere productiviteitsgroei, hoge energiekosten, internationale concurrentie en de grote investeringen die nodig zijn voor de groene en digitale transitie.

De Europese Commissie heeft vervolgens in haar Competitiveness Compass drie belangrijke opgaven centraal gesteld:

  • de innovatieachterstand verkleinen;
  • de economie concurrerend verduurzamen;
  • strategische afhankelijkheden verminderen.

Daarmee erkent Europa zelf dat wetenschappelijke kennis alleen niet voldoende is. Innovatie moet uiteindelijk kunnen worden opgeschaald, gefinancierd en commercieel toegepast.

En dan is er regelgeving

Europa stelt hoge eisen aan veiligheid, milieu, consumentenbescherming, arbeidsomstandigheden, privacy en productkwaliteit.

Veel daarvan heeft een duidelijke maatschappelijke functie.

Maar regelgeving en compliance gebruiken ook middelen.

Iedere onderneming en iedere engineer beschikt uiteindelijk over een eindige hoeveelheid tijd, mensen en kapitaal.

Tijd die naar compliance gaat, gaat niet naar engineering. Kapitaal voor verplichtingen kan niet tegelijkertijd worden geïnvesteerd in een pilotlijn, machine, prototype of nieuw product.

Dat betekent niet dat regelgeving moet verdwijnen.

De tegenstelling regels óf innovatie is te eenvoudig.

De werkelijke vraag is of regels proportioneel, uitvoerbaar en efficiënt zijn en of de maatschappelijke baten opwegen tegen de tijd, kosten en vertraging die zij veroorzaken.

Ook de Europese Commissie wil administratieve lasten verminderen

Interessant is dat de Europese Commissie inmiddels zelf expliciet erkent dat administratieve en regelgevende lasten de groei en concurrentiekracht van Europese ondernemingen kunnen belemmeren.

De Commissie heeft als doel gesteld om de administratieve lasten voor bedrijven met minimaal 25% te verminderen en voor kleine en middelgrote ondernemingen met minimaal 35%.

Volgens de actuele Commissieplanning moet dit tegen 2029 leiden tot ongeveer €37,5 miljard aan administratieve besparingen.

De Commissie motiveert die vereenvoudiging onder andere vanuit de gedachte dat bedrijven daardoor minder tijd en geld aan bureaucratie hoeven te besteden en meer middelen beschikbaar krijgen voor innovatie, investeringen en groei.

Dat is in feite dezelfde allocatievraag die ondernemers dagelijks ervaren.

De vraag is dus niet regels óf innovatie, maar of we nog de juiste balans hebben.

Regels kunnen noodzakelijke publieke belangen beschermen.

Maar uiteindelijk geldt ook:

Regels ontwerpen geen batterij, bouwen geen chipmachine en produceren geen nieuwe technologie. Mensen en bedrijven doen dat.

Van kennisland naar maak- én kennisland

Misschien moeten we daarom anders kijken naar het begrip kennisland.

Een kenniseconomie is niet uitsluitend een economie met goede universiteiten, veel wetenschappelijke publicaties, patenten en hoogopgeleide mensen.

Voor complexe fysieke technologie hoort daar ook het vermogen bij om kennis om te zetten in iets dat daadwerkelijk geproduceerd en opgeschaald kan worden.

Fase Belangrijkste vraag Kennis die ontstaat
Onderzoek Kan het technisch werken? Wetenschappelijke en fundamentele kennis
Design Hoe maken we er een product van? Engineering en systeemkennis
Prototype Werkt het ontwerp in de praktijk? Praktijk- en testkennis
Industrialisatie Kunnen we het reproduceerbaar maken? Proces-, tooling- en kwaliteitskennis
Serieproductie Kunnen we kwaliteit, snelheid en kosten optimaliseren? Yield, automatisering en manufacturing knowhow
Praktijk Hoe presteert het product werkelijk? Installatie-, service- en gebruikerskennis
Volgende generatie Wat kunnen we beter ontwerpen? Nieuwe technologie en productinnovatie

Een prototype is dus nog geen product.

Een werkend product is nog geen productielijn.

Een productielijn is nog geen concurrerende massaproductie.

Juist in de stappen daartussen wordt veel kennis opgebouwd.

Wanneer we die stappen structureel buiten Europa plaatsen, moeten we ons daarom afvragen welk deel van het leerproces we daarmee eveneens verplaatsen.

Nederland heeft juist veel te beschermen

Voor Nederland is deze discussie extra relevant.

Onze kracht ligt niet noodzakelijk in massaproductie van ieder denkbaar product, maar wel in hoogwaardige technologie, engineering, gespecialiseerde machines, systeemintegratie en sleuteltechnologieën.

TNO en NWO onderscheiden tientallen sleuteltechnologieën die belangrijk zijn voor de toekomstige Nederlandse economie en maatschappelijke transities, waaronder fotonica, quantumtechnologie, kunstmatige intelligentie en geavanceerde materialen.

Juist bij zulke technologieën kan de verbinding tussen onderzoek, engineering, apparatuur, productie en gespecialiseerde toeleveranciers strategisch belangrijk zijn.

Het succes van een hightech ecosysteem ontstaat immers zelden uit één patent, één universiteit of één onderneming.

Het ontstaat uit de combinatie.

Wat de batterij-industrie ons kan leren

De batterij-industrie maakt zichtbaar waarom deze discussie verder gaat dan goedkope arbeid.

Volgens het IEA hangen China's kostenvoordelen samen met een combinatie van:

  • jarenlange schaalopbouw;
  • productie-ervaring;
  • hoge manufacturing efficiency;
  • automatisering;
  • geïntegreerde supply chains;
  • beschikbaarheid van componenten en materialen;
  • geschoolde arbeidskrachten;
  • innovatie;
  • beleid en financiële ondersteuning.

Dat is belangrijk omdat het laat zien dat industriële concurrentiekracht niet met één subsidie, één fabriek of één onderzoeksprogramma kan worden opgebouwd.

Het is een ecosysteem dat zich gedurende jaren ontwikkelt.

En wanneer productie eenmaal op grote schaal plaatsvindt, kan productie zelf dat ecosysteem verder versterken.

Kennis creëert productie. Productie creëert nieuwe kennis. Nieuwe kennis creëert betere producten.

De schroevendraaier als symbool

Daarom kom ik uiteindelijk terug bij die schroevendraaier.

Voor mij staat die niet voor laaggeschoold werk tegenover hoogwaardig denkwerk.

Precies het tegenovergestelde.

De schroevendraaier staat voor de verbinding tussen denken en doen.

  • tussen CAD-model en prototype;
  • tussen laboratorium en productielijn;
  • tussen engineer en operator;
  • tussen onderzoek en toepassing;
  • tussen ontwerp en service;
  • tussen een goed idee en een product dat honderdduizend keer betrouwbaar kan worden gemaakt.

Als we één onderdeel uit die cirkel verwijderen, moeten we begrijpen wat dat op langere termijn met de rest van het systeem doet.

Degene die vandaag de schroevendraaier in de hand heeft, bouwt niet alleen het product van vandaag.

Hij bouwt ook een deel van de kennis voor morgen.

Een open discussie

Mijn perspectief is gevormd door ruim twee decennia in automotive, productie en industrialisatie, daarna door jaren in zonne-energie, productontwikkeling en energiesystemen en tegenwoordig ook door de verschillen die ik zie wanneer ik buiten Europa werk, reis en leef.

Maar dit onderwerp kent geen eenvoudig antwoord.

Europa hoeft niet alles zelf te produceren. Regelgeving kan belangrijke maatschappelijke waarden beschermen. Internationale specialisatie kan grote economische voordelen opleveren. En hoogwaardige R&D kan in bepaalde sectoren ook bestaan zonder grootschalige lokale productie.

Daarom zie ik dit artikel vooral als uitnodiging tot discussie.

1. Kunnen Nederland en Europa duurzaam kennislanden blijven wanneer we steeds meer industrialisatie structureel uitbesteden?

2. Welke technologieën moeten we niet alleen kunnen onderzoeken en ontwerpen, maar ook zelf kunnen industrialiseren en produceren?

3. Hebben we in Europa nog de juiste balans tussen reguleren, onderzoeken, ontwerpen en daadwerkelijk bouwen?

Juist argumenten die deze gedachte tegenspreken zijn interessant.

Want uiteindelijk is ook dat onderdeel van engineering en innovatie: aannames blijven toetsen aan de praktijk.

Over de auteur

René Borro is directeur van Rebor B.V. Zijn technische loopbaan begon in 1984 in de automotive-industrie en omvatte productie, industriële automatisering, prototypebouw, manufacturing engineering, internationale productontwikkeling, industrialisatie en productiemanagement.

Vanaf 2007/2008 verschoof zijn werkterrein naar zonne-energie. De activiteiten ontwikkelden zich verder naar geïntegreerde zonne-energie (BIPV), technisch onderzoek, productontwikkeling, internationale distributie, energieopslag en energiesysteemintegratie.


Bronnen en verdere verdieping

Dit artikel combineert persoonlijke praktijkervaring en analyse met actuele externe bronnen. De conclusies en interpretaties in het artikel zijn die van de auteur. De onderstaande bronnen zijn gebruikt om de feitelijke ontwikkelingen rond productie, concurrentiekracht, batterijen, innovatie en Europese regelgeving te controleren.

[1] International Energy Agency - Energy Technology Perspectives 2026

Actuele analyse van industriële concurrentiekracht in clean-techproductie. Het IEA beschrijft China's concurrentiepositie als het resultaat van onder andere innovatie, grootschalige productie, manufacturing efficiency, geschoolde arbeidskrachten, geïntegreerde supply chains en beleid. Voor batterijproductie schrijft het IEA meer dan 40% van het kostenverschil tussen China en Europa toe aan verschillen in manufacturing efficiency.

International Energy Agency - Energy Technology Perspectives 2026

[2] International Energy Agency - Global EV Outlook 2026: Electric vehicle batteries

Bron voor actuele gegevens over batterijproductie, regionale prijsverschillen, productiecapaciteit, supply-chainconcentratie en het belang van yield, automatisering en productie-ervaring. Volgens het IEA was China in 2025 verantwoordelijk voor meer dan 80% van de mondiale batterijproductie.

IEA - Electric vehicle batteries, Global EV Outlook 2026

[3] International Energy Agency - What Next for the Global Car Industry

Analyse van de kostenverschillen tussen de Chinese en Europese/Noord-Amerikaanse auto- en batterij-industrie. Het IEA behandelt daarbij schaal, productie-ervaring, supply chains, LFP-technologie, automatisering en manufacturing efficiency.

IEA - What Next for the Global Car Industry

[4] Europese Commissie - The Draghi report on EU competitiveness

Het rapport over de toekomst van het Europese concurrentievermogen behandelt onder andere productiviteit, innovatie, investeringen, energieprijzen, internationale concurrentie en de economische uitdagingen rond de groene en digitale transitie.

European Commission - The Draghi report on EU competitiveness

[5] Europese Commissie - Competitiveness Compass

Europese strategie voor concurrentiekracht, gebaseerd op drie centrale opgaven: de innovatieachterstand verkleinen, concurrerend verduurzamen en strategische afhankelijkheden verminderen.

European Commission - Competitiveness Compass

[6] Europese Commissie - Simpler rules for a stronger economy

Bron voor de actuele Europese vereenvoudigingsagenda. De Commissie wil de administratieve lasten voor bedrijven met minimaal 25% en voor het mkb met minimaal 35% verminderen. De beoogde administratieve besparing bedraagt circa €37,5 miljard tegen 2029.

European Commission - Simpler rules for a stronger economy

[7] Harvard Business School - Industrial Commons

Gary Pisano en Willy Shih beschrijven het concept van de industrial commons: lokale netwerken van technologische knowhow, operationele capaciteiten, gespecialiseerde vaardigheden, leveranciers, werknemers, onderzoeksorganisaties en bedrijven die gezamenlijk industriële innovatie mogelijk maken.

Harvard Business School - America Needs a Manufacturing Renaissance

[8] TNO - Sleuteltechnologieën voor de toekomst van Nederland

TNO en NWO beschrijven sleuteltechnologieën die belangrijk zijn voor toekomstige Nederlandse economische ontwikkeling en maatschappelijke transities, waaronder AI, quantumtechnologie, fotonica en geavanceerde materialen.

TNO - Nieuwe lijst sleuteltechnologieën voor de toekomst van Nederland

[9] Rebor B.V. - René Borro: technische expertise

Achtergrondinformatie over de industriële en technische ervaring achter Rebor, van automotive, productie en prototypebouw tot manufacturing engineering, zonne-energie, BIPV en moderne energiesystemen.

René Borro - technische expertise achter Rebor B.V.

[10] Rebor B.V. - Onderzoek & Innovatie

Overzicht van Rebors gedocumenteerde onderzoeks- en ontwikkelingsgeschiedenis rond zonne-energie, geïntegreerde PV, prototypes, testopstellingen en praktische systeemontwikkeling.

Onderzoek & Innovatie bij Rebor B.V.


Verder lezen bij Rebor

Meer over de combinatie van technische praktijk, productontwikkeling en toegepast onderzoek achter Rebor:

Rebor B.V. combineert industriële ervaring, praktische systeemkennis, technisch onderzoek en internationale productselectie. Voor ons blijft daarbij één principe centraal: technische kennis krijgt haar werkelijke waarde wanneer zij ook in de praktijk kan worden toegepast.

Terug naar blog

Reactie plaatsen

Let op: opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.